Categoriearchief: landlopers

Landlopers | eeuwige Regen | feuilleton, deel 5

Op 1 juni 1998 vertrok ik samen met Cathelijne en onze herdershond Jonas voor een voettocht van ruim vierduizend kilometer naar Santiago de Compostela en verder. Hierover schreef ik het boek ‘Landlopers – een voettocht met blaren, onrust en tortilla’. Deel 4 verscheen in december.

Onderweg in het Groene HartIn de middag van zes juni 1998 knapt het weer op na een stevig noodweer en glibberen we langs molens over modderige dijken. Een zeldzame zonnestraal komt achter de wolken vandaan en voor het eerst tijdens onze tocht is het aangenaam warm. Net voordat we bij een camping aankomen, vliegt er een ooievaar over. Hij strijkt neer op een paal verderop in een weiland, met op de top een nest ooievaarskuikens. In één klap is de wereld zoveel mooier.

Een kudde schapen beschermt het terrein van de Toeristen Kampeer Club. Jonas wordt zo opgewonden dat hij bijna niet te houden is. De camping is voor échte kampeerders. Kampeerders die niets van bungalowtenten – laat staan caravans – willen weten. Het washok is niet meer dan een houten keet met een wc-pot en een koudwaterkraantje. Elektriciteit ontbreekt en felle tentkleuren zijn ongewenst. Gelukkig is onze tent kampeerclubgoedgekeurddonkergroen.

Vroeg in de morgen pakken we de tent drijfnat in en vervolgen onze weg richting Haastrecht, een kleine stad, maar wel met het genezende beeld van Maria van Haastrecht. Net als in Amsterdam was hier na de Reformatie openlijke aanbidding van relieken verboden. Een moeilijke tijd voor de katholieken, maar gelukkig was de oplossing snel gevonden: Maria bezocht de zieken verborgen in een koffertje. Zo kon ze toch haar troostende en genezende werk verrichten. Vanwege haar reizende bestaan heet ze Maria ter Weghe.

Op zeven juni vinden we net buiten Schoonhoven een camping. In plaats van een begroeting door schapen worden we nu vanachter tuttige vitrages aangestaard door mensen die alle weekenden in hun caravan doorbrengen. In het washok, hel verlicht door tl-buizen, blinkt een batterij toilethokjes in chloorlucht. Kinderen rennen rond in de speeltuin en ouders houden toezicht vanaf het campingterras, bier en bitterbal binnen handbereik.

Onderweg in het Groene HartOnze plek grenst aan de lager gelegen en wildbegroeide uiterwaarden van de Lek. Een woest en ledig gebied. Jonas rent met rietpluimen in zijn bek als een idioot in het rond. Deze vergeten rest wilde natuur is het enige wat we leuk vinden aan de camping hier. Helaas betalen we flink voor alle overbodige luxe.

De campingbaas doet ’s avonds zijn ronde om zwartkampeerders te spotten. ‘Jullie zijn niet de enige Santiagogangers die hier overnachten’, zegt hij. ‘Regelmatig passeren hier pelgrims te voet of te fiets, allemaal herkenbaar aan hun Jacobusschelp.’

Net als de middeleeuwse pelgrims hebben wij een schelp aan onze rugzak hangen, als herkenningsteken en als voortzetting van een eeuwenoude traditie. In de bloeitijd van de Santiagobedevaart zochten pelgrims aan het strand van Finisterrae, het einde van wereld, een Jacubusschelp en naaiden die op hun kleding. Bewijs dat ze Santiago hadden bereikt. De schelp is vergelijkbaar met de palmtak die Jeruzalemgangers meenamen van hun toch naar het Beloofde Land.

Finisterrae ligt honderd kilometer ten westen van Santiago en is de meest westelijk gelegen landpunt van het Europese continent. Dit einde van de wereld was een Romeins en daarvóór vermoedelijk een Keltisch heiligdom. Pas honderden jaren daarna zette Jacobus volgens de legendes voet op het Iberisch schiereiland. Tegenwoordig dragen pelgrims de schelp al op de heenweg. Die van ons kochten we bij de visboer op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam.

Een welverdiende rustdag in het Groene Hart

Je kunt hier een gedrukte versie van Landlopers bestellen.

Landlopers0 Cover

Landlopers | het Amsterdamse Mirakel | feuilleton, deel 4

Op 1 juni 1998 vertrok ik samen met Cathelijne en onze herdershond Jonas voor een voettocht van ruim vierduizend kilometer naar Santiago de Compostela en verder. Hierover schreef ik het boek ‘Landlopers – een voettocht met blaren, onrust en tortilla’. Deel 3 verscheen vorige week. 

Gehuld in mijn grote blauwe poncho sjok ik door het centrum van Amsterdam met Cathelijne naast me als een rood geponchode Quasimodo. Jonas volgt met gelaten blik. Een koude watersliert sijpelt langs mijn nek omlaag, de poncho is op zoveel regen niet berekend. Zo trekken we door het bedevaartsoord Amsterdam, als drie moderne pelgrims. Voor de Amsterdammers om ons heen zijn we niet meer dan rugzaktoeristen.

Het Amsterdamse Mirakel en de Stille Omgang

Mannen in nette pakken kijken me van onder hun paraplu’s een tikkeltje meewarig aan. Ze vragen zich misschien af wat iemand bezielt om in dit weer rond te lopen. Ik haal mijn schouders op, voor zover dat mogelijk is met een rugzak van ruim twintig kilo. Carrière staat nu erg ver van mij af. Nu ben ik eigen baas en leef zonder de zekerheid van een vast inkomen en zonder het gemak van een eigen huis.

Op het Rokin leg ik mijn hand op de zuil die de hoofdstad als bedevaartsplaats symboliseert. Weinig Amsterdammers en toeristen weten dat deze zuil één van de laatste verwijzingen is naar het pelgrimsverleden van Amsterdam. Voorbijgangers werpen er hooguit een blik op en gaan dan door naar de Munt of Madame Tussaud.

Het Amsterdamse Mirakel en de Stille Omgang

De zuil maakte deel uit van de in het begin van de twintigste eeuw afgebroken Mirakelkerk, de Heilige Stede. Hier gebeurde in het jaar 1345 een wonder. De oudste en waarschijnlijk meest oorspronkelijke versie van het mirakelverhaal is te vinden in een oorkonde van de Hollandse graaf Albrecht uit 1378:

In Amsterdam, gelegen in het bisdom Utrecht, was een man zwaar ziek en vreesde te sterven. Om hem de laatste sacramenten toe te dienen werd een priester geroepen. Deze gaf hem na de biecht het heilig sacrament van de eucharistie. Echter na het eten van de geconsacreerde hostie kon de zieke een braakneiging niet onderdrukken. Hij ging naar de brandende haard van zijn kamer en braakte daarin het sacrament uit. Daarop bleek dat de zieke niet alleen maar de hostie onbeschadigd had uitgebraakt, maar dat bovendien het brood niet door het hoogopvlammende vuur werd aangetast.

Uit: “Het vierenswaardig wonder”,
A. van Duinkerken. Amsterdam, 1956.

Het Amsterdamse Mirakel en de Stille Omgang

Amsterdam was in de Middeleeuwen een katholiek bolwerk met Sint Nicolaas als stedelijk schutspatroon. Drie Sint Nicolaaskerken stammen uit de tijd dat Amsterdammers nog met trots de bijnaam Claesmannen droegen. Toen nam het mirakel een belangrijke plaats in. Na de verandering van de regering in 1578 mocht de katholieke bevolking haar geloof niet meer in het openbaar belijden en ontstonden er schuilkerken, met Onze Lieve Heer op Solder als bekendste voorbeeld. Sinds die tijd vieren de katholieken het mirakel met een Stille Omgang. Dat gebeurt nog steeds: een zwijgende tocht door het nachtelijke centrum van Amsterdam.

’Typisch geval van de wallen op stap.’In de nacht van zaterdag 21 op zondag 22 maart 1998 liepen we samen met Jonas de Stille Omgang mee als een geestelijke voorbereiding op de voettocht. Volgens een krantenartikel waren er in totaal tienduizend mede-omgangers die nacht, waaronder verrassend genoeg steeds meer protestanten. Jonas was, voor zover wij weten, de enige hond.

Beschonken lieden in de uitgaansstraten toonden weinig begrip voor de Mirakelse bedevaartgangers. In de Warmoesstraat elleboogden hoerenlopers ruw door de stroom pelgrims heen. Toeristen stonden langs de route en vroegen zich in snerpend Amerikaans of aarzelend Japans waarom er in het holst van de nacht een stille stoet door de straten van het centrum liep.

Het Amsterdamse publiek dacht te maken te hebben met een protestmars van bejaarden, vanwege de vele grijze deelnemers. Een zwaar opgemaakt meisje met een ladder in haar panty riep vanuit een café:

’Typisch geval van de wallen op stap.’

Het Amsterdamse Mirakel en de Stille Omgang

Het Amsterdamse Mirakel en de Stille Omgang

Landlopers | het vertrek | feuilleton, deel 3

Op 1 juni 1998 vertrok ik samen met Cathelijne en onze herdershond Jonas voor een voettocht van ruim vierduizend kilometer naar Santiago de Compostela en verder. Hierover schreef ik het boek ‘Landlopers – een voettocht met blaren, onrust en tortilla’. Deel 2 verscheen vorige week. 

Na uren woelen en draaien val ik uiteindelijk toch in slaap en hoor meteen daarna geklop op de deur. Na jaren van voorbereiden is het tijd om te gaan. De grote reis, de voettocht van Heiloo naar Jeruzalem via Amsterdam, Santiago de Compostela, Rome en Turkije gaat beginnen.

Landlopers ons kampGeradbraakt sta ik op en neem een lange douche om wakker te worden. De hele nacht vroeg ik mijzelf af of ik het aankan om duizenden kilometers te lopen met een minimum aan geld en een zware rugzak. Cathelijne sliep als een blok. Kennelijk had zij geen last van reiskoorts.

Iets na negen uur vertrekken we met vrienden en familie vanuit Limmen richting Castricum. Aan de rand van Limmen steekt een wildvreemde vrouw haar hoofd uit een zolderraam en houdt haar duimen omhoog in een gebaar dat Nina Brink later berucht zou maken. Ze roept:

‘Succes! Ik heb het gelezen in de krant. Machtig gewoon.’

We hebben tien mensen zo gek gekregen om ons deze eerste dag te vergezellen. In colonne marcheren we via de duinen naar Driehuis, net onder de rook van de Hoogovens. Twaalf mensen en een hond, de twaalf discipelen van Jacobus. Zo gaan we op weg.

Het gewicht van de rugzak trekt aan mijn schouders, maar door de spanning van het vertrek en de gezelligheid van de mensen die meelopen, heb ik er geen last van. Jonas lijkt niet onder de indruk van zijn hondenrugzak, hij kwispelt vrolijk naar iedereen om ons heen.

Landlopers, vermoeide voeten na de eerste dag

Alles is nieuw, ons hele leven. Ik voel me onwennig met mijn nieuwe status als wandelaar en alle aandacht die Jonas met zijn rugzak krijgt. Zo komen we op een kruispunt van wandelpaden een grote familie tegen:

‘Gelukkig ben ik geen hondje,’ roept Oma luid tegen haar kleindochter. Het meisje opent haar beugelbekkie en roept:

‘Hé joh, dat is een hond en geen ezel.’

Op de tweede dag breekt net voor station Sloterdijk het noodweer los. Het gaat zwaar vandaag. Op de kaart heb ik me een kilometer of tien verteld, zodat de route veel langer is dan gedacht. Vooral aan de laatste etappe lijkt geen einde te komen. We lopen langs de groenstroken en het spoor waar we tot voor kort bijna dagelijks Jonas uitlieten.

In het Westerpark raast een racefietser ons plotseling voorbij.

‘Stelletje dierenbeulen!’ roept hij. Voordat we kunnen reageren, is hij al uit het zicht verdwenen.

Je kunt hier een gedrukte versie van Landlopers bestellen.

Landlopers0 Cover

Landlopers | gezegend op reis| feuilleton, deel 2

Op 1 juni 1998 vertrok ik samen met Cathelijne en onze herdershond Jonas voor een voettocht van ruim vierduizend kilometer naar Santiago de Compostela en verder. Hierover schreef ik het boek ‘Landlopers – een voettocht met blaren, onrust en tortilla’. Deel 1 verscheen vorige week. 

2 Heiloo – Gezegend op reis

Vandaag, de dag vóór ons vertrek, valt samen met de afsluiting van de Mariamaand. Vandaag is de belangrijkste dag voor de ruim duizend jaar oude bedevaartsplaats Heiloo. Vandaag stopt de trein op een anders ongebruikt stationnetje tegenover de Mariakapel. Honderden gelovigen, vaak oud en slecht ter been, maken dankbaar gebruik van het met gras overwoekerde perron.

De pelgrims tijdens een Overijsselse oefentocht

Na lang speuren in de bibliotheek heb ik een route uitgestippeld die zoveel mogelijk de oude pelgrimspaden volgt. Het is een fijn idee om over een pad te lopen waar miljoenen mensen ons voor zijn gegaan. De tocht voelt als een pelgrimage, en dat begint dichter bij huis dan de gemiddelde Noord-Hollander vermoedt.

Heiloo is, zoals de naam al suggereert, een heilige plaats, een heilig bos. De legendes stammen uit de tijd van de kerstening. Sint Willibrord kwam in de herfst van 690 naar de Nederlanden om in opdracht van Paus Sergius de Eerste met elf metgezellen ons gebied te bekeren. Met zijn tochtgenoten stichtte Willibrord kerken in onder andere Heiloo, Petten en Schoorl. Zo slaagde Willibrord erin Holland te bekeren, een klus waar Sint Valentinus een half millennium eerder al aan was begonnen.

Vandaag eindigt de Mariaverering met een door de bisschop van Haarlem geleide processie naar de Runx-put, een bron die volgens de overleveringen door Willibrord is ontdekt. Monseigneur Bomers staat op de trap voor de Maria-kapel en steekt boven de bedevaartgangers uit. De avondzon straalt door de lichtgroene boombladeren en strijkt over de gezichten, allemaal gericht op de bisschop.

De middeleeuwse pelgrim ging altijd gezegend op reis. Voor ons moderne pelgrims is de zegen ook belangrijk, alleen al omdat het een eeuwenoude traditie is en we zoveel mogelijk willen reizen als de pelgrims van weleer.

Na afloop van de processie vragen we monseigneur Bomers om onze reis te zegenen. Hij staat in vol ornaat op de trap. Mantel, staf en mijter met edelsteen in het midden, het is een heel mooie Sinterklaas.

‘Ja, u en uw vrouw, is het niet? Volg mij maar, dan gaan we naar een rustige plek.’

Kordaat en met grote zwieren van zijn staf loopt hij voor ons uit de kapel in. Cathelijne botst bijna tegen hem op als hij onverwachts halt houdt om Maria te groeten.

Landlopers | proloog | feuilleton, deel 1

Op 1 juni 1998 vertrok ik samen met Cathelijne en onze herdershond Jonas voor een voettocht van ruim vierduizend kilometer naar Santiago de Compostela en verder. Hierover schreef ik het boek ‘Landlopers – een voettocht met blaren, onrust en tortilla’. De komende maanden verschijnt dit boek als feuilleton op Ligtvoetigheden. Hieronder alvast het eerste deel.

1 Proloog

De poort van dressuur naar vrijheid is dubbel glas, de grens niet meer dan een raam op de zesde verdieping. Mensen in de kantoortuin achter mij staren naar beeldschermen en bladeren driftig in ordners. Mijn blik dwaalt over de Noord-Hollandse duinen in de verte. Herinneringen flitsen door mijn hoofd.

Pelgrimshond Jonas

Nu zit ik op kantoor, een paar maanden geleden was ik te voet op weg naar Jeruzalem. De vrijheid is weg. De maatschappij heeft mij weer omarmd in een beschermende, maar ook knellende greep. Duinen, zee. Mijn blik gaat verder en verder. Helemaal tot het Franse Hendaye, de grens tussen mijn leven als financieel medewerker met stropdas en als zwerver in weer en wind.

Bij de ingang van het station zitten twee clochards met veel gebaren tegen elkaar te praten. Eén van hen opent een flesje bier, de ander heeft een wijnkarton binnen handbereik. In de stationshal zijn een paar mensen aan het bedelen. Reizigers haasten zich kriskras heen en weer en negeren de zwervers. Een jonge vrouw valt mensen lastig, voor een clochard ziet ze er te netjes uit. Haar blik is wild en ze praat Engels met een Amerikaans accent.

‘Misschien kunnen we haar helpen,’ zegt Cathelijne.

We lopen naar haar toe. Ze kijkt ons bijna smekend aan.

‘Gelukkig… niemand spreekt hier Engels. Ik moet mijn ouders bellen, die zijn zeker doodongerust. Het juiste nummer… het lukt niet.’

Ze kalmeert pas als Cathelijne een hand op haar schouder legt.

‘Wie moet je bellen? Geef het nummer maar, dan probeer ik het.’

Via de Franse Inlichtingen krijg ik het juiste nummer voor de direct call naar de Verenigde Staten. Het meisje barst in huilen uit.

‘Het spijt me dat ik zo moet huilen…’

‘Ach,’ zegt Cathelijne, ‘we zijn het gewend. Ik loop al dagen te janken.’

We wachten tot het meisje daadwerkelijk haar ouders aan de lijn heeft. Bij de eerste woorden slaat haar stem over. Ze glimlacht naar ons.

Met de treinkaartjes voor morgenochtend op zak lopen we door de hal naar buiten. De zwerver met het bierflesje rent achter ons aan.

‘Wat kost die hond? Zo een kan ik wel gebruiken.’

Ondanks zijn drinktempo praat hij met een verrassend heldere stem.

‘Het spijt ons, dit is onze kameraad. Die verkopen we niet.’

‘Oh, oké. Nou, misschien je dan een paar francs voor me?’

Ik geef hem wat kleingeld.

Klooster bij Eunate, op de Camino onderweg naar Santiago de Compostela

In de TGV van Bordeaux naar Parijs word ik wakker. Jonas ligt in diepe slaap onder de bank. Door de medicijnen leef ik al dagen in een zombie-achtige roes. Naast me zit Cathelijne, ze staart stil naar buiten. Aan het eind van de coupé voeren twee mannen in donkere maatkostuums een zakelijk gesprek. Ieder met gsm in de hand en notebook op schoot. Hun bespreking wordt steeds onderbroken door het gepiep van de telefoons.

Het landschap schiet voorbij. We verlaten de heuvels en de trein mindert vaart, langs een oud kanaal. De bomen langs het water en het vlakke achterland geven het geheel een Hollands tintje. Om de paar kilometer passeren we vervallen sluizen, zo smal dat alleen plezierbootjes er doorheen kunnen.

Het komt me hier bekend voor, en ineens zie ik een voetbalveld met het kleedhok waar we een paar maanden geleden overnacht hebben. Ik draai me om en kijk naar Cathelijne. Ze heeft het al gezien.

Je kunt hier een gedrukte versie van Landlopers bestellen.

Landlopers0 Cover